Waarom de Veluwe mijn Veluwe is geworden.

 
  Mijn Veluwe

 
  Vaak sta ik er even bij stil. Het is een kale plek in de brede berm langs de zandweg. Er ontbreken een aantal dikke beukenbomen zoals ze verder langs de weg staan, honderd jaar oud, denk ik. Zomers loop je er in de schaduw van de grote beuken. Het is een prachtige laan die het hele jaar zijn schoonheid prijs geeft. Maar de kale plek onderbreekt die statige regelmaat en ja dat moet ook. Je kunt je dan even realiseren wat hier gebeurd is, bij het monument dat op die lege plek staat. Een Britse Lancaster bommenwerper, met zeven man aan boord, heeft hier in de nacht van 15 juni 1943 een aantal bomen ontworteld en met de fatale afloop een markering aangebracht.
Er staat nu een monument op deze plek op mijn Veluwe.


 
 

 
 

Vanaf begin jaren 70 ben ik begonnen om de Veluwe te ontdekken. In eerste instantie om vroeg in de ochtend te kijken naar het wild; de edelherten, zwijnen en damherten. Ik ging daarvoor veelal naar het Deelerwoud, waar een boer van een aangrenzend perceel om 8 uur het hek voor je opendeed. Dit had veel voordelen: als je als eerste bij het hek was, wist je ook dat er nog niemand voor je in het bos was en kon je je eigen plan trekken hoe het wild te benaderen. Daar komt nog bij dat je er in de winter al in kon voor de zon op kwam. Het wild dat er leefde was in rust tot dat de eerste bezoekers kwamen. En als je het goed deed; in het groen, goed op de wind en voorzichtig, dan kon de rust nog een poosje blijven. In de zomer had je voldoende licht en was het prachtig om foto’s te maken.
Daarna ontdekte ik de Veluwe Zoom en begon langzaam het onderscheid te voelen. Er is verschil in ongereptheid. De Veluwe Zoom is voor mij het stuk Veluwe dat ik als het meest natuurlijke bos (in ons land) ervaar, want daar heerst nog een zekere mate van ongereptheid.
Zo is dat jaren door gegaan en werd de Veluwe van mij. Ondanks dit prettige gevoel bleef de Veluwe in mijn ogen een klein stukje groen in een klein land.
Door moeilijkheden op mijn werk en het gedwongen ergens rust moeten zoeken, maakte ik een nieuw plan. Tot dan toe koos ik een plek waar ik ‘s morgens heen wilde, maakte daar een flinke tocht en ging weer naar huis. Zo had ik overal mooie routes met favoriete plekjes.
Er borrelde een plan op om al die plekjes aan elkaar te lopen en na wat proberen ging dat wonderwel goed. Mijn Veluwe werd groter en groter. En nu is het, voor mij, de plek om eindeloos te zwerven ondanks dat het land klein is. Het is goed mogelijk om dagen lang op pad te zijn zonder een dorpje aan te doen. Af en toe moet je onder een snelweg door en dat is minder leuk maar het zwerven kan toch echt. Er zijn verscheidene kleine staatsbosbeheer campings waar je op een zwerversveldje heel prettig en heel rustig kunt staan.
Ik heb nu een eigen zwerfroute en daar loop ik heel regelmatig delen van. De route loopt in principe van open plek naar open plek. Dat is voor mij de prettigste manier om te genieten van De Veluwe; vanaf de bosrand weg kunnen kijken over de vlakte. De beschutting achter of naast je en de open vrijheid voor je. Ruimte en geborgenheid; dat loopt heerlijk. Zo zijn er plekjes ontstaan die mijn voorkeur hebben. Ik plan dan ook graag een wandeling, zodat ik, als het nodig is om te rusten, op een favoriet plekje ben. Ik zit dan een uurtje onder een boom en geniet van het uitzicht over mijn Veluwe.

Zo heb ik ontdekt dat er vele plekjes zijn waar een gedenksteen of een markeerpunt is of iets in het landschap wat met een bepaalde reden is ontstaan.
Zo zijn er stenen bij met het opschrift “Kroeze Eik” en “Konings Eik”. Van de steen met “Kroeze Eik”, denk ik, dat hij lang geleden een kruispunt van wegen markeerde. In het kroondomein liggen en staan ook vele gedenkstenen, zoals “Putterkoppel” en de gedenkstenen bij de leemkuilen. Het gedenkpunt is niet altijd een steen, maar kan ook de naam van de leemkuil dragen. Zoals “Het Cannenburgergat”, een prachtig vol gelopen leemkuil, waar de klei werd uitgehaald om stenen te bakken voor het kasteel “De Cannenburgh” in Vaassen. Dit wordt ervan verteld, helemaal zeker ben ik niet, omdat ik op een oude kaart van 1850 de leemkuil niet terug kan vinden.
Een klein rood stipje op de topografische kaart bleek een klein houten hutje te zijn met een heideplaggen dak en aan de voorzijde voorzien van een W met daarboven een kroon. Ik twijfel er niet over, terwijl ik het ook niet zeker weet, maar ik noem dit het Wilhelmina huisje.
En de prachtige plek waar veertig bronzen stronken het fundament van de “Kathedraal van Reims” weergeven, verscholen in het groen. In de zomer loop je er zo voorbij als de bronzen zuilen verdwijnen tussen de bosbessen. Ik heb deze “Kathedraal” dan ook in de winter ontdekt.
Verder zijn er ook vele grafheuvels te vinden van duizenden jaren geleden, tegenwoordig ook met een informatiebord aangegeven. En via de “Grafheuvel route” te ontdekken.
Er zijn ook ophogingen en kuilen te zien die je in eerste instantie gewoon als een bult of een gat in de grond ervaart, maar daadwerkelijk restanten zijn van het oorlogsgeweld in de veertiger jaren. Dit heb ik vaak gehoord van iemand die het gebied beter kent dan ik. Zo kun je zeer oude akkertjes, omgeven door een zandwal, en oude karrensporen vinden van eeuwen geleden. Dat kun je zien aan de karrensporen, waar de begroeiing anders is dan ernaast; op de ruggen groeit hei en in de geulen gras. Op luchtfoto’s is dit het beste te zien.


Er zijn ook tijd markeringen die je niet altijd herkent. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het “Bommenlaantje” op de Hoge Veluwe. De plek waar in de oorlog een treintje reed om de bommen van Wolfheze naar Deelen te brengen. Het is een prachtig opgehoogde baan, verscholen tussen berkenbomen, bedoeld om de trein aan het zicht te onttrekken.


Voor mij was het ook een “rare” ontdekking toen ik een monument tegen kwam ter nagedachtenis aan de eerst verongelukte Nederlandse vlieger;
Clement van Maasdijk verongelukte op 27 augustus 1910. Dat maakt me nieuwsgierig: wat is hier precies gebeurd? In 1910 werd er dus al gevlogen met Nederlandse vliegtuigen. En waardoor is hij verongelukt.

Naast al deze gedenkwaardige plekken heb ik zo door de jaren heen ook mijn eigen herinnerings plekken opgebouwd. Die staan niet op de kaart maar zitten in mijn hoofd. De plek waar ik oog in oog stond met een kapitaal Edelhert, of de boom, een beuk van zo’n vijf en twintig centimeter doorsnede waar een zwarte specht een gat in had gehakt dwars door de stam heen. Al die plaatsen met mooie ontmoetingen zitten onuitwisbaar opgeslagen in mijn geheugen. Als ik langs zo’n plek kom weet ik het weer en kijk ik hoopvol de omgeving af of die ontmoeting zich zou herhalen.

 
   
 

De plek waar ik voor de eerste keer zonnedauw vond, vergeet ik niet meer. En het mooie wat er zich daarna vanzelf voltrekt, is dat je het dan vaker ziet. Je ogen worden als het ware geopend. Zo gaat dat ook met het wild op de Veluwe, als je één keer weet hoe je moet kijken zie je altijd wat. Het is een kwestie van leren kijken met aandacht. Waarbij ik wel op merk is, dat je door vaker op de zelfde plek te komen, ook meer en meer details gaat zien. De eerste keer is het de Veluwe alleen nieuw mooi en vooral bos. Hoe vaker je er rond zwerft hoe meer de Veluwe zijn details met je deelt.


Het wordt voor mij steeds persoonlijker zo is het standbeeld van Generaal de Wet voor mij niet meer van hem, maar is het het beeld van mijn opa geworden omdat de man op mijn opa lijkt. We zeggen thuis ook niet: We moeten weer eens naar de Hoge Veluwe, maar we zeggen: Zullen we weer eens bij opa gaan wandelen? We zeggen ook thuis tegen elkaar: We moeten weer eens een tochtje maken bij het “kappelletje” en dan bedoelen we “de Worth Rheder heide”. Daar staat ons kappelletje niemand ziet het staan, wij wel! Wij weten precies hoe het er uit ziet en hoe het de plek siert. Zo werkt De Veluwe door in mijn leven omdat ik er betrokken bij ben geraakt. Op de Veluwe vind ik plekjes die alleen voor mij zijn.

Zo is het ontstaan langzaam maar zeker. Het ontdekken van wild, monumenten en gedenkstenen. Het is een proces van jaren. Niet met een gevoel van oh jee dit duurt lang nee juist tegengesteld heerlijk dit kan jaren zo doorgaan. En stukje bij beetje werd de Veluwe van mij. Zo is het mij vergaan ik zwerf er nu veertig jaar rond over de Veluwe en het verzadigd nooit en het product is dat; de Veluwe mijn Veluwe is geworden.


 
 
 
 
Verkwansel de Veluwe niet
 
 

Bosdag


Ik schrijf het op “Bosdag”. Ik vergeet het niet, daar is geen reden voor, gebeurt ook niet. Net zo als ik niet vergeet om een paar maal per dag te eten. Vergeet ik dit ook niet. Toch zet ik het in mijn agenda. Het digitale ding vraagt: “hele dag?” en ik tik: “Ja”. Eenmaal of herhalen, ik tik wekelijks. En 52 maal wordt vastgelegd: “Bosdag”.
Je kunt dit letterlijk nemen “Bosdag” is voor mij een dag de bossen in en dat is dan ergens op de Veluwe. Ik ga vaak langdurig naar een zelfde gebied, omdat ik dat een mooi gebied vind vanwege het wild dat er te zien is of omdat er weinig mensen komen. En na een bepaalde tijd weer naar een ander deel van de Veluwe om dat deel weer op te frissen in mijn geheugen. Het zijn altijd open gebieden waar ik met de dekking van de bosrand langs een open veld zwerf.


In de winter zijn de bosdagen het kortst, 8 uur ongeveer, van zonsopkomst tot zonsondergang, met een kleine marge. Zoveel als ik denk dat de boswachter toelaat. In de zomer zijn ze lang, 16 uur, en eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat dat in het begin, lang geleden, voor mij ook lang was. Nu niet meer, ik heb het geleerd. Het was niet eenvoudig om me zelf toe te staan zogenaamd niks te doen.
De dagen hebben een zelfde patroon, eerst kijken naar het wild, meestal de edelherten, daarna wat rond zwerven en tegen de avond weer kijken naar het wild.
De tijd daar tussen zit ik ergens op een mooie plek te kijken en op lange dagen op een aantal plekken te kijken en te ervaren en tussen door de omgeving nog wat extra te verkennen.
Als men vraagt: “Wat doe je dan?” kan ik niets anders zeggen dan “ik doe niks”, “Oh”, is de reactie die vergezeld gaat met een verbaasde blik.
Ik ga proberen om het uit te leggen en maak voor de duidelijkheid een vergelijking met kunst en muziek.
Ik denk aan Karel Appel die eens zei: “Als de laatste streek verf op het doek staat ga ik er bij zitten en dan kijk ik, en kijk ik en kijk ik tot het af is”.
Zo kijk ik naar de Veluwe, ik probeer het te zien als een schilderij, een levend schilderij. Er gebeurt altijd wat; de lucht kan er zeer dynamisch uitzien. En na een poosje stil onder een boom zitten herstelt de omgeving zich en komen de vogels weer om je heen en af en toe komt er een ree of een vos langs je boom.
Maar het hoeft niet, ik heb geleerd om te zien hoe mooi de Veluwe is. In ieder jaargetijde en bij ieder weertype. Het beeld is mooi, ook als je het vaak ziet is het mooi, ja én het wordt anders.
In het schilderij van Appel zul je steeds meer gaan zien zoals dat ook met muziek gebeurt.
De Mattheus Passion is de eerste keer moeilijk om naar te luisteren. Als je de tijd neemt zul je merken dat het steeds meer gaat leven, je gaat steeds meer horen. Je gaat steeds meer begrijpen en steeds meer details onderscheiden zich. Er komen steeds meer lagen bloot te liggen.
Zo gebeurt het ook van onder een boom, mijn boom, naar de Veluwe kijkend, je gaat steeds meer zien en begrijpen.
Je zakt in het landschap, je neemt het op, je wordt één met het landschap. Er is geen verschil meer tussen jou en het landschap, je bent een deel van het geheel geworden.
Dat is mijn Bosdag op mijn Veluwe.

En zoals er niets toegevoegd gaat worden aan een Karel Appel of aan de Mattheus Passion, zo moet je ook niets toevoegen aan de Veluwe. Het verkleint het mooie; er hoeft niets toegevoegd te worden. Het is van zich zelf al meer dan goed. Geen gepolijste stenen, geen bronzen horens, zo min mogelijk borden, geen fototentoonstellingen, liefst ook geen hekken.

Verkwansel de Veluwe, mijn Veluwe, onze mooie Veluwe niet met “kunstige” toevoegingen. Geniet van wat er is. Breng geen veranderingen aan voor degene die het mooie niet ziet, want je verwoest het voor hen die het wel zien.


 
 
 
 
Op pad


Op de Veluwe verdwaal ik niet meer, soms zou je het wensen, maar na 40 jaar rondzwerven gebeurt dat niet meer. Het zit ook niet in mij, ik ga op pad met een doel en een kaart en wil voortdurend weten waar ik ben of waar ik heen ga. Misschien moet ik het nog leren op pad gaan en lopen en je niet afvragen waar je uitkomt. Eindeloos zwerven.
Ik ken het wel: verdwalen; verdwalen is misschien een te groot woord, maar je zou kunnen zeggen: je pad kwijt zijn. Even los komen van je plan. En het mooie is dat ik er veel van heb geleerd; “het pad kwijt zijn en het weer terug vinden”.
De ervaringen die ik op mijn zwerftochten opdoe zijn van wezenlijk belang voor mijn gedachten en conclusies in mijn leven. Het geeft me houvast, steun en een beter inzicht. Het zijn meer dan metaforen.

Op één van mijn grote voettochten, in een gebied waar ik voor de eerste keer was, zei de beschrijving: houd bij het einde van het hek dezelfde richting aan, ongeveer een kwartier lopen, volg dan het pad waar je op uitkomt, richting oost. Ik liep en liep maar het pad kwam niet; kaart erbij, kompas erbij en proberen te oriënteren. Ik kwam er niet uit. Daar sta je dan, wat nu? Ik kijk om me heen en zie in de verte rechts van mij mensen lopen en denk: “ah daar zal het bedoelde pad liggen”. Ik ga naar rechts door het veld. Geen pad. Ik kijk om me heen en zie in de verte achter me mensen lopen. Ik ga terug en uiteindelijk vind ik het pad. Ik besef dat het pad, je pad, erg onduidelijk kan zijn. Haast een onzichtbaar spoor. Heel subtiel, door het veld of door het leven. En ik neem me voor niet op anderen af te gaan maar me te concentreren je op mijn eigen pad.
Het tegenover gestelde is me ook gebeurd. De beschrijving zegt: “voordat je het pad vervolgt, loop even door naar het meertje en geniet van het uitzicht over het gebied”. Het was een mooi punt, een prachtig punt. Zo’n plekje waar je van zou dromen dat je er op het einde van je laatste pad zou zitten. Zitten en zitten en wachten om de oneindige eeuwigheid te ervaren.
En dan is er de huidige werkelijkheid; je pad gaat toch door.
Beneden je zie het pad over de rotsen waar je straks verder gaat. Het spoor ligt duidelijk als een grijs lint over de rotsen. “Geen probleem”, denk ik. Als ik afdaal om mijn pad te vervolgen gaat het goed tot het begin van het pad. Eenmaal op de rotsen ben ik het pad voortdurend kwijt. Ik weet het pad wel steeds weer terug te vinden en besef dat het van een afstand kijken heel duidelijk is waar je heen moet. Maar eenmaal op weg is het moeilijk om je koers te houden.


En langzaam, levenslang langzaam komt het besef dat vergissingen nodig zijn voor het onderscheid, voor de ervaring, voor de herkenning van je pad. En ja natuurlijk kun je weleens het verkeerde pad nemen, je kunt het over doen en opnieuw proberen. Maak zelf de beslissing dit pad wel en dat pad niet.
Ook op mijn Veluwe probeer ik af te stemmen en te voelen welk pad het juiste pad voor mij is. Achteraf is het altijd je eigen pad, vooraf moet je keuzes maken.
“How many roads has a man to walk down before you call him a man”, werd er gezongen. Het antwoord op de vraag blijft onbeantwoord. Dit is niet erg als het besef er is. “Amor fati”, zegt Nietsche. Heb je lot lief. Ik zou zeggen; Heb je pad lief.
Terug naar de Veluwe. Mijn pad is uniek, het is van mij. Hoe ik het ook bekijk het maakt niet uit of het gaat over het pad door mijn leven of het pad over de Veluwe. Mijn pad is iets van mij het zegt iets over mij. Daarom wil ik me niet laten leiden door een paaltjesroute, dat is andermans pad. Als je op weg bent op andermans pad weet je niet echt waar je bent en waar je heen gaat.
Om je eigen pad te gaan moet je moeite doen, plannen bekijken en deze beoordelen. Probeer je plan te volgen, wil je een pad vinden naar een vast doel, of gaat het om de route naar dat doel. Ik wil, het liefst, langs open gebieden met de vrijheid van de vlakte voor je en de beschutting van het bos naast je. Het is prettig als je uitzicht hebt en af kunt stemmen op je plan als je de vlakte over bent. Als je goed kijkt kun je zelfs op een kaart zien of het een mooi pad is waar je heen wilt. Een goede kaart geeft zoveel informatie.

Daarom ga ik niet af op paaltjes of borden en goed bedoelde wegwijzers. Voor mij staan er ook te veel aanwijzingen, ons land bevat een wirwar van routes. Met allerhande markeringen die zeggen “jij hier en jij daar”. Naast het feit dat ik het niet zo wil geeft het ook een enorme verstoring op mijn Veluwe.

Het mooiste pad om te gaan is je eigen pad.
Mijn pad is een ongemarkeerd pad. Een pad om te beleven, te ervaren, te verdiepen en oh ja, om vaak over te twijfelen.
Ook een pad waarop je niet wordt afgeleid, een pad waarop je jezelf kunt tegenkomen. En waar je af en toe het geluk hebt te voelen: “dit is mijn pad”.
Deze richting wil ik gaan, dit geeft me de ruimte om te ervaren, dit pad hoort bij mij.
Dit pad heb ik lief.


 
 
Schoonheid

Mijn gezicht trekt in een grijns, ik ben niet verbaasd. Vraag me wel af waarom nu. Wat is er anders? Het was een grijze morgen ergens aan het eind van het jaar. Grijs, nevelig ja zelfs miezerig, zo’n morgen waar ik bij vertrek al van hoop; mooi, geen weer voor anderen om het bos in te gaan. Ik ga wel, dit kan een dag zijn met rust in het bos, geen mens gaat er nu op uit. De kans op het zien van wild neemt daardoor zeker toe.
Toch verbazing, wat was er anders waarom die grijns op mijn gezicht. Wat heb ik gezien?
Het was mooi vanmorgen in het bos, maar ik besef dat mooi niet de lading dekt. Er moet iets anders zijn ver voorbij mooi.
Het dringt langzaam tot me door van het hoe en wat en waarom. Ik ga proberen de woorden te vinden om dit op papier te krijgen.
Al jaren doe ik dit gewapend met een kijker en verscholen in en tussen het groen, kijken naar het wild. Terwijl de natuur mooi is in al zijn facetten en zijn verschillende bewoners, ga ik vooral om te kijken naar de Edelherten. Vroeger liep ik veel en moest ik het hebben van toevallige ontmoetingen: oog in oog staan met een Edelhert is zeer indrukwekkend. Tegenwoordig zit ik aan, zoals dat heet, en hoop dat het wild langs komt of een poosje verblijft op de plek waar ik ze verwacht. Dit is geen vluchtige ontmoeting, je gaat gedrag zien, je gaat de dieren herkennen met al hun bewegingen.
De leidhinde zekert terwijl de rest van het roedel onbekommerd rond stapt. Dat is duidelijk. Daarnaast realiseer ik me dat je veelal hun gedrag beoordeelt vanuit een menselijk perspectief en ik vraag me af of dit klopt.
Een Edelhert gaat geen verbintenis aan, er worden geen paren gevormd. Zo kan een bronstige hinde beslagen worden door een door haar, een paar jaar geleden, voortgebracht hert.
Er is geen directe zorg voor elkaar, geen invoelend gedrag. Ik zag een hert met een dennentak verstrengeld in zijn gewei, hij moet dit zelf zien af te schudden, er komt geen hulp van een soortgenoot.
De rivaliteit onderling is mooi om te zien. Het jonge hert dat de plaats van het kapitale hert, dat net zijn gewei is verloren, overneemt. Hoe het roedel schrikt en oplettend wordt als een keiler passeert.
Zo leven ze in roedels afhankelijk van hun leeftijd, de herten apart van de hindes. Onderling is er een bepaalde rangorde die nog moeilijk te doorgronden is voor mij. De kapitale “achttien” ender loopt regelmatig samen met een jong hert dat een wat misvormt gewei draagt, ze accepteren elkaar volledig. Terwijl er vaak uitgehaald wordt met het gewei of met de voorlopers naar een eerste of tweede kop’s hert.
Bij alles wat ik zo al zie is het overduidelijk dat het wild op deze plek, de Veluwe, hoort. Het is hun omgeving en niet de mijne.
Never Kings never Queens we are just travelers. Ik ben toeschouwer.

Het is Edel een Edelhert. En dat edel zijn zit niet in het menselijk vertaalde gedrag. Niet sociaal, niet invoelend wel edel. We moeten het wellicht omdraaien, niet ons menselijk waarnemen op hen projecteren maar hun edele op òns. Zij zijn de Kings en Queens in hun omgeving, niet wij.
Zo vanuit rust en zonder gezien te worden kijken naar het wild in hun prachtige vorm, en in hun omgeving. Naast hun gedrag kun je ook iets anders waarnemen. Niet met je ogen maar met je hart, met je gevoel.
Je kunt kijken naar iets wat je niet kunt zien en toch kunt waarnemen. Dit is een blik naar het wezenlijke van het dier. De bron het oergebeuren. Dit ontroert en gaat ver voorbij mooi. Het is een beeld dat niet verzadigt, het blijft boeiend jaar in jaar uit.
Dit zien van het wezenlijke noem ik: “Schoonheid” en steeds als ik het me besef geeft het een grijns op mijn gezicht.

 
     
 
 
 


 
  Wild